www.BioGeometry.org

voor het creëren van harmonie met onze innerlijke en uiterlijke omgeving, het     humaniseren van moderne technologie, integreren van wetenschap en spiritualiteit  
      en het ontdekken van de wetenschappelijke realiteit achter godsdiensten.


Home pagina


BioGeometry

BioSignaturen

Architectuur

Gezondheid

Pendels en Radiësthesie

Boeken

Tips

Links

Activiteiten

Winkel

Contact

Zoeken

 Site map







Contact  BioGeometry BioSignaturen Architectuur Gezondheid Radiesthesie Web shop



laatste wijziging:

22 jan 2004



Het verhaal van de holbewoner


Dit is een verhaal dat Ibrahim Karim tijdens het seminar van 27 feb - 1 maart 1999 in Nederland heeft gegeven. Het geeft mogelijk een geheel andere kijk op de pre-historisch mens.
Het is gebaseerd op een verhaal in het boek
Essai de Radiesthésie Vibratoire van L. Chaumery en A. de Belizal. Die geven een verklaring voor het "doel" van de grotschilderingen zoals beschreven door Norbert Casteret in zijn boek "Dix ans sous terre. Campagnes d'un explorateur solitaire".

De prehistorische mens

Er zijn mensen, die zeggen dat de "prehistorische" mensen op aarde, primitieve hol- of grotbewoners waren, die met ontzag naar de krachten in de natuur keken. Die krachten waren zo sterk dat ze de drang hadden om iets voor te stellen dat veel sterker was dan alles in de natuur en zo kwamen ze tot de noodzaak van het hebben van een God. De hele spiritualiteit is hieruit ontstaan.

Dat is moderne psychologie en filosofie. In die tijd hadden ze niet iemand als Sigmund Freud. Daar hadden ze de tijd niet voor. In het begin was de mensheid uiterst pragmatisch ingesteld. Ze zochten de meest praktische manier om te (over)leven. Hoe zagen die mensen de werkelijkheid?

In de ontwikkeling van het bewustzijn is er een heel groot verschil tussen hoe we de wereld nu zien en hoe iemand van dat deed pakweg 50.000 jaar geleden.

Wanneer de technologie vooruit gaat, verandert de manier waarop wij tegen dingen aankijken. De realiteit zoals wij die zien verandert omdat de realiteit gemaakt wordt door het betekenisniveau in onze hersenen. In onze hersenen is een gegevensbestand dat continu verandert en continu wordt gevoed met gegevens. Op die manier is de realiteit van iemand van vandaag - wat je ziet, hoe je het ziet en de betekenis er van - anders dan bijvoorbeeld de realiteit van onze kleinkinderen wanneer ze opgroeien en anders dan die van onze overgrootvaders.

Dus wanneer je terug gaat naar de eerste mensen, was de realiteit/bewustzijn iets tussen wat we vandaag een droom-bewustzijn zouden noemen en een zuiver analytisch bewustzijn in het dagelijks leven van vandaag de dag.

Ze waren zich bewust van dingen die we in de wereld van de dromen zouden plaatsen. Voor hen bijvoorbeeld was er niet zoiets als "leer een aura zien van een mens" omdat - zoals elk heel gevoelig mens die niet verpest is door alle intellectuele concentratie - ze dat soort energieën konden zien en voelen. We zien dat in hun kunst. In plaats van de kunst van de holbewoner te analyseren, ga ik een verhaaltje vertellen over hoe ik - als ik een holbewoner was - aan de ideeën zou komen achter hun kunst.

Het verhaal van de hol- of grotbewoner

Stel je voor dat ik een holbewoner ben en dat ik naar een dier kijk. Ik zie een soort van licht rond het dier, ik zie licht rond de bomen en voorwerpen. Dus een voorwerp is voor mij niet een puur fysiek iets, maar fysiek met wat lagen van licht er om heen. Dan valt het mij op dat wanneer een tak van een boom een bepaalde vorm heeft, het licht van die tak erg veel kan lijken op die van een dier of iets wat dezelfde vorm heeft. Wanneer ik een lijn op de grond teken, verandert het licht van die lijn en op die manier begin ik te begrijpen dat er een verband is tussen de vorm van die dieren en en het licht dat ze uitstralen. Dan valt het mij op dat wanneer jagers naar en dier wijzen, hun licht verandert en ongeveer hetzelfde wordt als dat van het dier. Er gebeurt dan ook iets heel merkwaardigs: ik zie dat het licht van het dier verandert. Wanneer ze over het dier spreken, verandert het licht van het dier. Je kunt je het voorstellen als resonantie bij muziek. Wanneer je een snaar aanraakt en laat trillen, gaat een andere snaar meetrillen en ze veranderen, dus er vindt een soort van informatie-uitwisseling plaats. Nu kwam iemand op het idee dat wanneer je de huid van een dier zouden dragen, je dan misschien een sterker licht van dat dier zou krijgen met alle eigenschappen van dat dier. Dat werd geprobeerd en ja hoor, plotseling hadden ze de energie eigenschappen van dat dier omdat de huid één van de belangrijkste factoren is bij het bijhouden van ons gegevensbestand.

Ons gegevensbestand wordt gevormd en bijgehouden door de vijf zintuigen. Eén van de meest directe zintuigen die daar aan bijdraagt is de huid. We komen daar later (in het seminar) op terug wanneer we alle vormen van helen bespreken die verband houden met de huid. Daarom is de huid een heel belangrijk opslagmedium voor informatie.

Dus wanneer ze de huid van het dier dragen hebben ze ook zijn informatie-patroon. Nu merken ze ook dat de vorm verband houdt met de energie van het dier. Waarom dan ook niet de bewegingen van het dier nadoen? Als we beseffen dat het nadoen van een bepaalde beweging ons in resonantie brengt met iets, waarom dan niet de beweging van de regen nadoen of wat dan ook.

Toen ze dat gevonden hadden en in de grot gingen, werd de artiest het onderwerp, hij is het dier of zoals de uitdrukking zegt: hij kroop in de huid van het dier. Wanneer hij zich dan uit in de kunst, zal de expressie héél erg natuurgetrouw zijn. Daarom staan we verbaasd dat die mensen 50.000 jaar geleden zich zo realistisch konden uitdrukken. Het heeft een beweging die zowel natuurlijk als expressief is. Uit energie oogpunt laat het op de muur heel goed de energie van het dier zien. Dat is niet logisch voor iemand die tracht te leven en te overleven - hij had geen vrije tijd zoals wij hebben - om zijn huis te versieren. Ik denk dan ook niet dat de artiest in de stam, of de medicijnman of hoe ze hem ook mochten noemen, bezig was om de holen van de mensen te versieren, omdat het merendeel van die tekeningen diep binnenin het hol of de grot was, ergens waar geen licht kwam. In veel gevallen moet je 20 of 30 meter naar binnen gaan om de tekeningen te vinden. Dat betekent dat ze maar heel kort die plek met vuur konden verlichten. Waarom maakten ze hun kunstwerken niet ergens aan de buitenkant zodat iedereen het kon zien?

Je hebt die tekening en stel dat je wilt gaan jagen. Ik wil op die grote stier gaan jagen, maar alles wat ik heb, is deze kleine speer die ik zelf heb gemaakt. Wanneer ik die naar hem werp, zal het niet veel doen. Het zal de stier hoogstens wat kietelen en hij schudt het van zich af en loopt weg. Maar wat als ik mijn jacht in de grot kan beginnen, wat als ik naar de tekening ga en de jacht daar begin? Mogelijk toen ik het de eerste keer deed, had ik mijn speer in de hand en zei tegen mijn vriend: ik ga de stier hier raken. Ik wees met mijn speer naar de plaats en plotseling gebeurde er iets met de 'echte' stier buiten. Dat is prachtig, ik kan binnen in de grot met jagen beginnen.

Dit alles is voor die mensen werkelijkheid, praktisch, er is geen illusie, er is geen magie, want het is geen magie of wetenschap, het is enkel een praktische manier van leven. De mensen hadden niet de logische redenering: door op die manier gebruikt te maken van de tekening wordt de energie van het dier verzwakt en als ik dan naar buiten ga en met een lans naar het dier gooi, zal het langzaam weglopen met verzwakte energie en is er een kans dat het zal neervallen en ik kan mijn prooi pakken. Die mensen hadden een zeer pragmatische manier van leven. Vandaag de dag noemen we dat misschien magie of bijgeloof. Nu gaan we een stap verder in het verhaal.

Ik ben heel blij, want ik heb het dier geraakt en het heeft een zwakke energie. Ik ga achter het dier aan, verschuil me achter de rotsen zodat het me niet aanvalt. Het dier gaat weg en ik wacht tot het neervalt. Dan gaat het dier naar een plaats met een waterbron om te drinken. Wanneer het daar komt, krijgt het plotseling een sterke energiestraling en het gooit de lans af. Het dier is in goede gezondheid, de wond is genezen en het gaat er snel vandoor.

Dan vraag ik mij af: wat is dat voor een plaats, wat is dat licht? Ik ga terug naar mijn stamgenoten en vertel van het licht en op het moment dat ik naar de bron wijs, wordt ik met het licht omgeven. Dit is het eerste ritueel, een praktisch, zeer pragmatisch iets. Je weet dat mensen van dieren leren door ze te imiteren. Nog een stap verder: waarom nemen we niet de zieken en gewonden naar deze plaats en zetten ze daar neer? We zagen dat wanneer de dieren van het water drinken, ze meer licht uitstralen. Dus waarom niet water aan de zieken geven?

We schrijven deze energie toe aan de aarde, dit is iets dat de aarde ons geeft, het geeft ons water met deze energie. Op die manier gaan we een wisselwerking krijgen met deze energie en dan gebeurt er iets vreemds bij deze interactie. Zoals bij de interactie met een dier, treedt er een uitwisseling van informatie plaats zodra ik in wisselwerking treedt (resonantie) met de energie van de waterbron. Bij resonantie is er sprake van uitwisseling van informatie, waarbij beiden een kopie zijn van elkaar; elk heeft de volledige informatie van elkaar.

Zodra er sprake is van een interactie tussen jou en die plaats, zal de energie van die plaats jouw volledige informatie gecodeerd opnemen. Wanneer de stam daar vaak naar toegaat, zullen de mensen met de tijd merken dat er een uitwisseling is tussen hen en de plaats van de bron. Het is alsof de plaats tegen ze spreekt, ze informatie geeft. Ze kunnen tegen de plaats praten en de plaats praat terug omdat hun onderbewustzijn één is met de plek. In plaats van tegen je eigen onderbewustzijn te praten, staat een collectief bewustzijn voor je; collectief omdat de hele stam er naar toe gaat. Dat sterke collectieve bewustzijn treedt in wisselwerking met het eigen bewustzijn. Dit praten met het collectieve bewustzijn bij die plaats is het begin van de verpersoonlijking van die energieplaats.